Beste bezoekers.

Tientallen jaren geleden heb ik eens een keer een stukje in het plaatselijk krantje de Dinkelander geschreven. Het was vroeger de kerkbode van Losser. Dit ging toen over de zeer koude februari maand van 1929. Van de gegevens die ik toen had verzameld heb ik een in 2003 een pagina gemaakt.  Een oom van mij werkte toen op de Losserse melkfabriek die jaren geleden is afgebroken. Hij heeft het mij vele keren verteld dat de melkfabriek toen enkele dagen door de zeer strenge vorst volledig buiten bedrijf is geweest. Twee vergeelde documenten uit het vakbondsmuseum die nog in oud Nederlands zijn geschreven heb ik bewerkt naar een wat groter lettertype om het beter leesbaar te maken. Het is een hele klus om dit goed door te lezen, wat voor een bijzondere noden er zich toen in Nederland hebben voorgedaan. Enkele jaren heb ik er nog weer enkele Duitse links aan deze pagina toegevoegd. Onder dit plaatje staan de waarnemingen van het oude meetpunt Winterswijk. Wie de luchtdruk verdeling van deze maand eens wil bekijken en wat informatie over deze Siberische koudegolf uit Duitsland wil lezen moet eens op een van de onderstaande links klikken. Ik heb nog geprobeerd de sneeuwdek gegevens van deze maand te achterhalen. In het dagboek van Meester Bernink uit Denekamp de oprichter van het museum Natura Docet heb ik nog wat schaarse gegevens over het sneeuwdek kunnen achterhalen. Februari 1929 was een zeer droge maand. Een sneeuwdek wil in februari ondanks dat het streng vriest nog wel eens verdampen. Ik denk dat zich dat ook in deze maand heeft voorgedaan. 

http://www.wetterzentrale.de/topkarten/fsslpeur.html
http://www.saevert.de/2winter2829.htm

 

   

 

feb max. min. gem. neer- weer sneeuw helder windkr.  wind luchtd. min. luchtd.
1929 temp. temp. temp. slag   dek zonloos bf  richting mm 7 uur luchtv.  hpa 7uur
                       
1 3,3 -4,8 -0,7 0 droog rest h 3 oost 763 37 1015
2 4,7 -8,3 -1,8 0 droog rest h 2 oost 765 31 1017
3 3 -11,4 -4,2 0 droog rest h 3 oost 776 41 1032
4 -0,8 -11,7 -5,4 0 droog rest h 2 zo 767 48 1020
5 3,5 -9,3 -2,5 0 droog rest z 2 zw 766 92 1019
6 2,7 -4,4 -0,8 2,5 sneeuw 2 z 3 no 769 92 1023
7 -0,8 -6,8 -3,8 0 droog 1 h 2 oost 772 61 1027
8 1,5 -9,7 -4,8 0 droog rest h 1 zw 770 53 1024
9 3 -8,5 -2,7 0 droog rest h 1 zo 765 45 1017
10 4,8 -6,8 -1 0 droog rest h 5 oost 759 48 1009
11 -2,2 -18,1 -10,1 0 droog rest h 3 oost 766 49 1019
12 -10,9 -18,4 -14,7 0 droog rest h 4 no 766 51 1019
13 -9,5 -17,6 -13,6 0,1 sneeuw rest h 2 noord 763 70 1015
14 -5,3 -21,5 -13,4 0,5 sneeuw 0,5 h 1 noord 760 59 1011
15 -13,9 -19,9 -16,9 1,3 sneeuw 1 h 2 zo 756 60 1005
16 -6,9 -19,5 -13,2 0 sneeuw 2 h 1 no 760 59 1011
17 -5,8 -17 -11,4 0 droog 1 h 0 variabel 764 71 1016
18 -4,1 -9,5 -6,8 0,9 sneeuw 2 h 2 no 770 83 1024
19 -4,2 -11,4 -7,6 0 droog 2 h 2 no 773 68 1028
20 -2 -15,4 -8,7 0 droog 1 h 2 noord 776 63 1032
21 -3,8 -13,8 -8,7 0 droog 1 h 1 zo 775 36 1031
22 5,9 -11,3 -2,6 0 droog rest h 2 zw 765 35 1017
23 6,1 -6,6 -0,2 0 droog rest z 1 zuid 755 54 1004
24 6,4 -0,5 2,9 1,8 regen rest z 2 noord 753 92 1001
25 2,1 -4,7 -1,3 0,1 sneeuw rest z 3 no 757 75 1007
26 -4 -7,5 -5,7 0 droog rest h 3 oost 762 71 1013
27 -2,9 -12,5 -7,2 0 droog rest h 4 noord 766 52 1019
28 -4,9 -14,7 -9,2 0 droog rest h 1 zuid 777 57 1033
                       
feb max. min. gem. neer- weer sneeuw helder windkr. wind luchtd. g.min. g.luchtd.
1929 temp. temp. temp. slag   dek zonloos bf  richting mm 7 uur luchtv.  hpa 7uur
-1,3 -11 -6,4 7,2           766 59 1018

Uit de bouwer van 21 februari 1929

De sleur van het dagelijks leven is zoo invloedrijk dat slechts bijzondere gebeurtenissen vermogen, de menschen aan te herinneren, dat er jaar in jaar uit nog een ontzettende hoeveelheid armoede geleden wordt door tal van medemenschen. Zulk een bijzondere gebeurtenis is de buitengewone lange en strenge winter, dien we thans medemaken. De daardoor veroorzaakte nood, heeft op het veelvuldige gebrek dat er geleden wordt weer eens het volle licht laten vallen. De artikelen in “Het Volk”over de nood die in de veenstreken geleden wordt, wierpen zulk een schril licht op de daar heerschende armoede dat een rilling over den rug kruipt, als men zich een ogenblik in den toestand van den menschen die daar als arbeider moeten leven, indenkt. In ongelukkige planken keten, die den naam niet eens hebben mogen, in plaggenhutten, die met ondergrondse holen gelijk gesteld moeten worden, leeft daar een deel van onze Nederlandsche bevolking, dat als eenigzins mogelijk is, bereid is den hardsten arbeid te verrichten om het bestaan te kunnen rekken. Inderdaad verschrikkelijk!  De tijdelijke maatregelen, ten deele bestaande in filantropie, voor een ander deel in het geven van een uitvriesuitkering, helpen natuurlijk wel eenigzins, maar zijn zeker niet instaat om de ellende ongedaan te maken. Daaraan voorgoed een eind te maken, zal wel eerst lukken als de kapitalistische voortbrengingswijze plaats gemaakt heeft voor een socialistische. Ook buiten de veenstreken heeft de lange winter dezen keer veel armoede gebracht. De ongeorganiseerden zijn reeds lang aangewezen geweest, op de aalmoezen van burgerlijk of kerkelijk bestuur. Slechts in die plaatsen, waar de arbeidersbeweging grooten invloed heeft, hebben ze, voor ze aan het leven van het gegevene toe zijn gekomen, nog rechten gehad op uitkeeringen van maatschappelijk hulpbetoon, crisescommissie of hoe dergelijke instellingen nog meer mogen heten. Voor alle andere plaatsen was de gang naar het armbestuur de eenige mogelijkheid, om de monden open en de lichamen warm te houden. In heel wat betere positie dan de ongeorganiseerden, verkeert de  georganiseerde die tegen werkloosheid verzekerd is. Nemen we als voorbeeld de positie van onze bondsleden. In de eerste 6 weken van dit jaar keerde onze bond niet minder dan 425.000 gulden uit. Dat is een bedrag van plus minus 25 gulden per lid. Indien we aannemen, dat in dien tijd omstreeks de helft van onze leden werkloos is geweest, is gemiddeld per werklooze een 50 gulden uitgekeerd. Onvoldoende? Zeer zeker; maar 50 gulden minder inkomsten in die periode van 6 weken, zou de armoede die er thans ook in de huisgezinnen van tal van bouwarbeiders heerscht, tot een veel grootere maat van ellende hebben opgevoerd. Indien door onze werkloozen uitkeering de armoede veel minder is, dan  anders het geval zou zijn geweest, komt ongetwijfeld een gevoel van dankbaarheid bij ons op. Geen dankbaarheid voor personen hebben we daarbij­ behalve natuurlijk voor de pioniers op het oog. Onze dankbaarheid geldt onze beweging zelf. Zonder haar waren we er nog precies even beroerd aan toe als vroeger, en verkeerden we nog, vrij zeker geheel in de positie, waarin de talloozen verkeeren die van de organisatie verre bleven, of die nog niet sterk genoeg vereenigd zijn, om de macht, die goede organisatie kan ontwikkelen; in hun belang aan te wenden. Gelukkig zijn wij er reeds heel wat beter aan toe. Dat neemt niet weg, dat de lange winter voor een groot deel van de bondsleden de positie heeft geschapen, dat hun recht op uitkeering van de werkloozenkas reeds enige tijd opgehouden heeft, omdat zij het reglementair vastgelegde aantal dagen hebben ontvangen. In de plaatsen waar men na dien nog recht op een andere uitkeering van de gemeente bestaat, is het uitzicht minder droevig. Het aantal van deze gemeenten is echter nog maar vrij klein. En in alle stond onze menschen als de nood hoog werd, ook de zware gang naar het armbestuur te wachten. Het is daarom als een grote uitkomst te beschouwen, dat het recht op een werkloozen uitkeering voor dit voorjaar met 14 dagen is verlengt. Voor wat dezen bond betreft; buiten bezwaar van de werkloozenkas. Het is teekenend voor den  invloed, dien de arbeidersbeweging in den loop der laatste jaren gekregen heeft, dat zoo iets mogelijk is. Wie het 20 jaar gelden had voorspeld, zou eenvoudig geen geloof gevonden hebben. Dit nieuwe recht, dat  thans nog slechts voor een enkel jaar wordt toegekend, en  aan den langdurigen winter is te danken houdt ongetwijfeld nieuwe beloften voor de toekomst in. Voorwaarde daarvoor is dat de arbeidersbeweging nog veel groter en sterker moet worden, dan ze reeds is. De toekomst kan brengen, dat bij iedere  werkloosheid die niet veroorzaakt is door eigen schuld, den arbeider de middelen verstrekt zullen worden, om het hoofd boven water te kunnen houden. Recht daarop heeft ons inziens ieder arbeider die bereid is te werken, indien de mogelijkheid om te kunnen werken gegeven is. Dat recht te veroveren, ook voor de velen die thans buiten de grote steden zijn van ieder ander recht, dan dat, dat aan de werkloozen kas ontleent kan worden, dat is ook een deel, dat we ernstig voor oogen moeten houden. Doen we dat , dan zullen we voortdurend geprikkeld worden, om de macht en den invloed van onze bewegen te vergroten en te versterken. En wie van ons zou dat doel niet willen bereiken? Vrienden laat het u gezegd zijn: werkt voortdurend aan de uitbouw van onze beweging.

Uit de bouwer van 7 maart 1929

De gevolgen van den strengen winter.

De bladen brachten zoo juist het bericht, dat de extra uitkering aan de werkloozen opnieuw met een week is verlengt. Dit is de derde week extra- uitkering en de vraag is, of het gezien de weersomstandigheden, daar wel bij zal kunnen blijven. Het bouwbedrijf wordt dit jaar, wel buitengewoon sterk getroffen, en zal de naweeën van deze strenge vorst ook nog lang ondervinden. Niet alleen in den vorm van den achteruitgang die thans, ondanks de uitkeering, in bijna alle bouwvakarbeidersgezinnen te constateren valt, maar ook, omdat het nog weken kan en zak duren vóór het bouwbedrijf weer in vollen omvang zal kunnen werken. Het kan mee en tegenlopen als het weer straks omslaat; maar ook  valt het mede, dan is de situatie zoo, dat slechts zeer geleidelijk weer zal kunnen begonnen. De vorst zit zoo diep in den grond, dat er vooreerst niet aan grondwerk gedacht kan worden. Op bouwwerken die reeds boven den grond zijn, staat het zoo, dat de vorst nog diep in de materialen zit die verwerkt moeten worden, dat er geen denken aan is, dat er weer dadelijk zal kunnen worden begonnen. De waterleidingen zijn bevroren, het zand is een goede koek en de tassen metselstenen, die bijna overal onafgedekt aan weer en wind bloot staan, vormen een compacte massa, die zeer langzaam kan ontdooien. Treft het ongeluk, dat de dooi met regen gepaard, dan kan het weken duren voor men met kans op succes aan het verwerken van den steen toe kan komen. Vooral, indien het voorjaar eens allesbehalve warm mocht zijn, dan zal men hier en daarin Mei nog hinder van de gevolgen van de vorst hebben. Een andere factor die sterk remmend op het weder in gang brengen van het bouwbedrijf zal werken, is de moeilijkheid, om den steen van de fabrieken, naar de bouwwerken te kunnen vervoeren. Op 3 weken dooi zal zeker gerekend moeten worden, vóór er sprake van zal kunnen zijn, dat er hier en daar weer schepen met steen voor den wal zullen kunnen komen, En dan zal de steen op de fabriek nog  niet aan elkaar gevroren moeten zijn. Het kan natuurlijk wat meevallen; maar de kans is veel grooter dat het tegen zal vallen en dat het vier weken of langer zal duren voor de aanvoer van steen weer geregeld plaats zal kunnen vinden.. Metselaar , opperman, grondwerker, betonwerker,en stucadoor, zijn als regels geheel afhankelijk van het ter beschikking hebben van vorstvrij materiaal. De timmerman is minder van het materiaal afhankelijk. De kans om weer te beginnen is voor de timmerlieden evenwel voor een beduidend deel afhankelijk, van de mogelijkheid of metselaar en stucadoor weer vooruit kunnen. In het algemeen staat het op de bouwwerken zoo, dat men geheel aangewerkt is. dat het wachten dus helemaal op vederen voortgang van metselwerk of stucadoorwerk is. Moge timmerlieden er aanvankelijk wat minder gauw uitgevroren zijn dan metselaars enz. de kans om gelijk met deze weer te kunnen beginnen is voor het merendeel van de timmerlieden dan ook niet aanwezig. Daaruit kan geen andere conclusie worden getrokken, dan dat er ook na de intrede van den dooi nog geruimen tijd een abnormale werkloosheid onder de bouwarbeiders zal heerschen. Geen werkloosheid in die zin dat er geen werk zal zijn, want dat is er thans ongetwijfeld genoeg, maar wel in dien zin, dat de gevolgen van werkloosheid van den strengen winter, nog langen tijd een beletsel zullen vormen, om algemeen het werk weer te hervatten. Het is ook geen toeval, dat het aantal werkloozen, ondanks dat we nu reeds den eersten Zaterdag van Maart schrijven, in tegenstelling met andere jaren voortdurend grooter wordt. Het aantal, vooral timmerlieden, dat volkomen vastgelopen op den stilstand van metsel-of stucadoorwerk, moet, zoolang daarin geen verandering komt,wel iederen dag groter worden. Slechts dat deel van de timmerlieden, dat aan burgerwerk hun brood moet zien te verdienen, heeft enige kans na het invallen van den dooi spoedig weer te beginnen. Geen wonder, dat onder deze omstandigheden aangedrongen zal moeten blijven worden, op verdere hulp van regeringswege, indien ook de week extra- uitkering zal zijn gebruikt. De  bouwarbeiders, tenminste de georganiseerden, die tegen werkloosheid zijn verzekerd, hebben dan zelf in den vorm van het betalen van de contributie voor de werklozenkas, bewezen dat zij niet toegelegd hebben, op het steunen van anderen. Zij hebben hun best gedaan om naar vermogen, zich zelf te helpen. Een winter dien we thans hebben, gooit evenwel alle  betrekeningen ondersteboven. Een spaarpotje, en de opgedane wintervoorraad, zijn even wel de rechten die aan de werklozenkas ontleent kunnen worden, volkomen verdwenen. Tegen zulk een natuurmacht als deze winter leggen alle berekeningen en alle spaarpotjes het af.

  Johan Effing 3 februari 2008

Top